Bekijk desktop versie

 4856

Wie zijn wij?

Wie zijn wij?De Nederlandse Vereniging voor Doelmatig Onderhoud (NVDO) is dé toonaangevende brancheorganisatie die middels belangenbehartiging, kennisoverdracht en netwerken ondersteuning biedt aan bedrijven en personen die bij de besluitvorming op het gebied van Beheer en Onderhoud/Asset Management betrokken zijn en daarmee de Nederlandse...

Lees verder

Miljoeneninjectie voor technische studies

Woensdag, 12 juni 2019 02:08
Miljoeneninjectie voor technische studies
Vanaf 2020 wordt er € 70 miljoen van alfa en gamma-opleidingen overgeheveld naar technische studies. Dat is het langverwachte advies van de Commissie Van Rijn. Minister Van Engelshoven zal het advies waarschijnlijk voor de zomer opvolgen. Ze spreekt van een ‘afgewogen totaalpakket op de korte termijn’.






De komende jaren is de vraag naar bèta's op de arbeidsmarkt tweemaal zo groot als het aantal afgestudeerden, hoewel het aantal studenten aan technische opleidingen sinds 2011 is verdubbeld. Tientallen technische opleidingen hebben zelfs een numerus fixus ingevoerd. Oud-staatssecretaris van Rijn spreekt van ‘een gevaar voor de economie’. Daarom wacht, als het aan hem ligt, in twee jaarlijkse stappen (2020 en 2021) het hoger onderwijs een ingrijpende financiële herverdeling. 
Over twee jaar gaat er fors meer geld naar de TU Delft (8,4 % extra), de TU/e (7,6 % erbij), de WUR (4,9%) en de UT (3,7%). Dat gaat met name ten koste van de jongere universiteiten in Rotterdam, Tilburg en Nijmegen. Het grootste kind van de rekening is de Universiteit Maastricht (-5,6 %), waar commissielid Luc Soete tot 2016 saillant genoeg nog rector was.

Het snijden in algemene opleidingen ligt onmiddellijk van veel kanten onder vuur, maar waarschijnlijk komt er geld beschikbaar om de pijn op de korte termijn voor alfa en gamma-opleidingen te verzachten. Ineke Dezentjé van industriekoepel FME is blij met de € 70 miljoen voor technische studies, maar herhaalt haar pleidooi, dat er eigenlijk € 450 miljoen extra nodig is om de capaciteitsproblemen op te lossen.

Van Rijn had als opdracht om op onderwijsgebied twee problemen tegelijk proberen op te lossen zonder extra geld uit te geven: enerzijds een schreeuwend tekort aan afgestudeerde bèta’s en een overschot afgestudeerde juristen en economen en anderzijds uitpuilende collegezalen en een wildgroei aan Engelstalige en modieuze opleidingen. ‘Het lijkt op de vele zorgpolissen (‘poliswoud’), die verschillende namen en prijzen hebben, maar inhoudelijk amper verschillen,’ schrijft van Rijn.
Het huidige bekostigingssysteem voor hoger onderwijs ‘is een pervers mechanisme geworden’, stelt Van Rijn. De bekostiging per student is een prikkel om zoveel mogelijk studenten te werven. ‘Een instelling die niet groeit snijdt zichzelf in de vingers,’ analyseert Van Rijn. Daarom kiest hij ervoor om het aandeel van de onderwijsfinanciering dat op studentenaantallen gebaseerd is te verlagen van 72 naar 60 % en van de zo vrijkomende € 300 aan de vaste financiering van technische opleidingen toe voegen. Hij had ook kunnen kiezen voor een hogere bekostigingsfactor voor technische studenten (op dit moment krijgt een instelling voor een technische student van de overheid anderhalf keer meer vergoed dan voor een alfa of gamma). Dat had hij kunnen verhogen naar 1,7 of 1,8, maar daarmee had hij de prikkel om ongeremd studenten te werven minder beperkt. Van Rijn wijst erop dat ook in Zweden en Vlaanderen de bekostiging per student wordt teruggeschroefd.

Volgens de Commissie van Rijn is ingrijpen urgent genoeg om drastische maatregelen te rechtvaardigen: ‘De herverdeling ten gunste van de opleidingen bètatechniek is een ad hoc maatregel om een mismatch te repareren tussen opleidingscapaciteit en de vraag van de arbeidsmarkt. De commissie is ervan overtuigd dat meer dan nu ontwikkelingen op de arbeidsmarkt consequenties dienen te hebben voor de bekostiging.’ Een andere reden, waarom snelle maatregelen onafwendbaar lijken is dat steeds meer middelbare scholieren voor een technisch profiel kiezen, terwijl de bekostiging van opleidingen gebaseerd op historische studentenaantallen. Dat gaat botsen als er niets verandert.

Buitenlandse studenten, die in Nederland blijven werken, kunnen bijdragen aan het oplossen van tekorten op de arbeidsmarkt. Buitenlandse alumni van technische opleidingen blijven het vaakst in Nederland werken. Delft (51%) en Eindhoven (41%) zijn koploper. Studenten van buiten de EU blijven tweemaal zo vaak in Nederland werken als buitenlandse studenten uit andere EU-landen. De komende jaren komt de technische sector in Nederland volgens Van Rijn 34.000 wo-studenten en 64.000 hbo-studenten tekort. Dat is erg veel als je bedenkt dat er nu in totaal van 97.000 technische studenten in het wo zijn en 102.000 in het hbo.

Bron; Technisch Weekblad geschreven door Gerald Schut

Belangrijke wijziging voor toestemming voor cookies voor Advertenties en Social Media. Bekijk wat wij gebruiken als we de cookie plaatsen op onze cookie statement pagina.

Als je niet wil dat jouw internetgedrag voor deze doeleinden gebruikt wordt, wijzig dan de Cookie-instellingen.

Instellingen aanpassen