Bekijk desktop versie

 4856

Wie zijn wij?

Wie zijn wij?De Nederlandse Vereniging voor Doelmatig Onderhoud (NVDO) is dé toonaangevende brancheorganisatie die middels belangenbehartiging, kennisoverdracht en netwerken ondersteuning biedt aan bedrijven en personen die bij de besluitvorming op het gebied van Beheer en Onderhoud/Asset Management betrokken zijn en daarmee de Nederlandse...

Lees verder

Zink en antimoon zijn bijna op

Donderdag, 16 februari 2017 12:58
Zink en antimoon zijn bijna op

Als de winning van grondstoffen per definitie eindig is, hoe kun je ze dan toch duurzaam gebruiken? 

Op de tafel ligt een mobiele telefoon. Welke metalen die daarin worden gebruikt dreigen snel op te raken? „Niet zoveel”, zegt Theo Henckens, die in oktober promoveerde op een onderzoek naar schaarste van een zestigtal metalen. „Je zou denken aan de zogeheten zeldzame aardmetalen. Maar die zijn geologisch minder zeldzaam dan hun naam doet vermoeden. Er zit ook wat goud in, dat wel snel schaars wordt. Maar goud is een uitzonderlijk geval, want de antropogene goudvoorraad is groot.”





Maar er zijn ook metalen waarvan de ertsen binnen afzienbare tijd uitgeput zullen zijn, aldus Henckens. Molybdeen bijvoorbeeld, dat gebruikt wordt in hoogwaardig staal; antimoon, dat in veel elektrische apparatuur wordt gebruikt. Ook de winbare voorraad zink en goud is als we zo doorgaan nog deze eeuw uitgeput. Vaak zijn het pessimisten die zich afvragen of de aarde wel genoeg grondstoffen bevat voor iedereen – nu en in de toekomst. Maar Henckens is dat niet. Zijn proefschrift, Managing raw materials scarcity , herinnert aan het rapport van de Club van Rome, een groep wetenschappers die al in 1972 de grenzen van de groei zagen opdoemen. Ook Henckens was vrij pessimistisch toen hij aan zijn promotieonderzoek begon. „Ik ben opgegroeid met de Club van Rome”, vertelt de 68-jarige chemisch ingenieur in zijn huis aan de rand van Bosch en Duin. „Uit bezorgdheid en nieuwsgierigheid wilde ik voor mezelf uitzoeken hoe het zit.”

De Club van Rome ging uit van de bewezen reserves van grondstoffen. „Dat is een pessimistisch uitgangspunt”, zegt Henckens, die jaren werkte bij milieuadviesbureau DHV. „De bewezen reserves reiken zelden verder dan een paar decennia. Zo lang kijken mijnbouwbedrijven immers vooruit. Ze zoeken niet verder als ze een voorraad hebben voor de komende dertig jaar, daarvoor zijn de exploratiekosten te hoog.”

Henckens heeft gekeken naar winbare voorraden. Hij gebruikte cijfers van het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) en de Amerikaanse geologische dienst (USGS) over de aanwezigheid van allerlei metalen in de bovenste kilometer van de aardkorst. „Het overgrote deel daarvan is niet of in ieder geval niet gemakkelijk winbaar, omdat de concentraties te laag zijn. Slechts maximaal 0,01 procent van alle metalen zit geconcentreerd in ertsen.” Henckens nam de cijfers van 2010 als basis en ging uit van een jaarlijkse groei van zo’n 3 procent, die volgens hem vooral plaatsvindt in ontwikkelingslanden. In westerse landen is de groei grotendeels voorbij, zegt hij. „Als een maatschappij rijker wordt, gaan mensen meer geld besteden aan zaken als zorg, toerisme of theater. Een auto die een ton kost, gebruikt niet tien keer zoveel materiaal als een auto van 10.000 euro. In westerse landen zie je daardoor een ontkoppeling van grondstofgebruik en economische groei. Rond 2050 hebben in mijn scenario ook ontwikkelingslanden dat punt bereikt.”

Duurzaam gebruik
De vraag die Henckens stelde, was: als de winning van grondstoffen per definitie eindig is, hoe kun je ze dan toch duurzaam gebruiken? Het Brundtland-rapport (1987) definieert duurzame ontwikkeling als ‘ontwikkeling die tegemoetkomt aan de huidige behoefte zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun behoefte te voorzien in gevaar te brengen’. Mooi geformuleerd, maar wat betekent het in de praktijk? „Ik heb gekozen voor duizend jaar. Zo lang moeten grondstoffen nog winbaar zijn om te spreken van een duurzame delvingsgraad”, aldus Henckens. „Het staat voor ‘heel lang’, maar het is arbitrair. Honderd jaar is te kort, dan zijn onze kleinkinderen nog in leven. Als ik voor tienduizend jaar had gekozen, kun je nu al vrijwel niets meer gebruiken.”



Henckens concludeerde dat die duizend jaar voor een aantal metalen niet wordt gehaald. Antimoon is al over een jaar of dertig op. Molybdeen en zink zijn nog ongeveer tachtig jaar beschikbaar. „Je zou verwachten dat de prijs van die schaarse delfstoffen sneller zou gaan. Maar over een langere tijd bekeken is er geen significant verschil tussen de prijsstijging van geologische schaarse en niet-schaarse delfstoffen. Dat betekent dus dat de markt zijn werk niet goed doet.” Henckens wil de markt een zetje geven met een internationaal grondstoffenakkoord. De kern daarvan is een reductie van de winning van schaarse grondstoffen, zodat die nog ten minste duizend jaar voorradig blijven. Landen waar de mijnbouw aan banden wordt gelegd, moeten daarvoor wel gecompenseerd worden, vindt hij. „Met zo’n quotum zal de prijs van grondstoffen waarschijnlijk stijgen. Bedrijven zullen eerder zoeken naar alternatieven. En er zal meer gerecycled worden. Nu is primair materiaalgebruik, dus rechtstreeks uit een mijn, vaak goedkoper.”

In het inmiddels in werking tredende grondstoffenakkoord tussen de Nederlandse overheid en het bedrijfsleven is – voorlopig op vrijwillige basis – afgesproken om het gebruik van grondstoffen voor 2030 met de helft terug te dringen. „Veel te algemeen”, vindt Henckens. „Laten we het toespitsen op stoffen waar de kritische grens bijna bereikt is. Waarom zou je je druk maken over bijvoorbeeld aluminium, waar we nog meer dan 20.000 jaar mee vooruit kunnen.”

Sommige stoffen zijn gemakkelijk te vervangen, zegt Henckens. „Ongeveer de helft van alle antimoon wordt verwerkt in brandvertragers, bijvoorbeeld in plastic behuizingen van elektronica. Daarvoor zijn prima alternatieven. Nu belandt die behuizing uiteindelijk vaak in de verbrandingsoven en dan ben je het antimoon kwijt. Van alle borium wordt 40 procent gebruikt in glaswol. Maar glaswol kan worden vervangen door steenwol. Dat is niets duurder en heeft geen borium nodig.” Dat geldt niet voor molybdeen, een noodzakelijk ingrediënt in zeer hoogwaardig roestvrij staal, bijvoorbeeld voor windmolens op zee. „In zijn proefschrift Materials and Energy concludeert René Kleijn dat de hoeveelheid molybdeen die nodig is voor omschakeling van fossiele energie naar wind- en zonne-energie ongeveer gelijk is aan de complete huidige productie. En voor zover ik weet hebben we nog geen alternatief.”

Wij lazen dit artikel voor u in het NRC
Deze website maakt gebruikt van cookies. Meer informatie hierover vindt u op ons cookiebeleid. Sluiten